(fragment)

Ik trad op in mijn pyjamabroek en het zwarte colbert dat Schlomo had weten te organiseren. Ik droeg zwartleren puntschoenen, met stukjes ijzerdraad in plaats van veters. Met een veeg uit een potje schoensmeer tekende Schlomo mijn Chaplin-snor — net iets breder dan die van Hitler. De tak was recht genoeg om voor wandelstok door te gaan en krom en knoesterig genoeg om geestig te zijn. Om vier uur was het stil. Dat had ik Schlomo op het hart gedrukt: de barak moest doodstil zijn. Ik wachtte een paar seconden, haalde diep adem en gooide de deur open.
Eerst liet ik de wandelstok zien. Daarna wandelde ik de kamer uit. Na een paar stappen struikelde ik zogenaamd over een steen. Ik zette mijn hoed recht en keek verwijtend achterom. Een enkeling lachte. Ik deed of ik iets hoorde, met mijn hand achter mijn oor. Ik zorgde wel dat ik dwars door het publiek heenkeek — om duidelijk te maken dat ik mij hier alleen waande. Het was voller dan ik had durven hopen. Er stonden drommen mensen in het gangpad, en de britsen zaten overvol. Ik had het publiek van een klein theater.
Verbaasd keek ik omhoog en opzij. Langzaam liet ik de omgeving op mij inwerken, alsof ik van een andere tijd en een andere plaats naar dit oord was geteleporteerd. Dat was mijn leitmotiv: Charlie Chaplin is alleen in de barak en weet niet wat hij meemaakt. Ik zat volledig in mijn rol. Ik liep om de kachel en poerde voorzichtig met mijn stok in de asla. Besluiteloos stond ik bij de betonnen schoorsteen. Ik had mazzel: er viel gruis naar beneden. Ik deinsde geschrokken achteruit.
Weer zacht gelach.
Met een schuin hoofd keek ik omhoog. Daarna viel mijn oog op de versleten kampkledij op de betonnen bank, de radiator. Ik liep er naartoe. Met mijn wandeltak stak ik een groezelige broek omhoog. Voorzichtig bracht ik de pantalon naar mijn neus. Ik trok mijn hoofd van afgrijzen weg en wapperde het stuk textiel van mijn stok af. Ik sidderde nog na.
Ik had contact met de zaal. De zaal, zo voelde het. Ik keek naar een brits. Ik bukte tot ik vlak voor het gezicht van een graatmagere man stond. Ik schrok me lam, alsof ik voor een geest stond, wat ook weer niet zo ver bezijden de waarheid was.
Nu had ik een goede lach. De eerste.
Hij lachte schaapachtig. Ik grijnsde terug, ongemakkelijk en geforceerd, en nam beleefd mijn hoed af. Ik bleef grijnzen. Dat liet ik even duren, puur op gevoel. Ik fronsde twee keer snel mijn wenkbrauwen, alsof ik hem wilde verleiden. Daarna begon ik hem te onderzoeken. Ik plukte aan het vel van zijn arm en trok aan zijn oor, net iets te hard, natuurlijk. Van ongeloof draaide ik mijn hoofd weg, met mijn hand voor mijn mond.
Schlomo zag ik niet, die was waarschijnlijk achteraan gaan staan. Een Kapo was minder snugger. Die stond met zijn gele mouwband aan de zijkant belangrijk te wezen. Ik keek naar hem en bleef kijken. Hij begon zich te realiseren dat hij op een onvoordelige positie stond, want hij lachte nerveus. Maar het was al te laat. Ik draaide me naar het publiek en lachte vals.
Ik had me in lange tijd niet zo feestelijk gevoeld.
Ik liep, nee, ik schreed op hem af. Plotseling rechtte ik mijn rug en gooide mijn kin omhoog, zoals SS’ers doen, en begon hem te inspecteren. Ik voelde aan zijn mouwband en controleerde met mijn vingers of het geel afgaf. Voor de zekerheid smeerde ik mijn hand af aan zijn schouder. Ik ontblootte mijn tanden weer.
Bij apen is dat een teken van agressie.
Bij mij ook.
Ik rommelde aan zijn riem, haalde een zwartleren zweepje uit het foedraal en bekeek het wapen van alle kanten. Ik zwiepte het tegen mijn hand en draaide me naar de Häftling die ik zojuist had betast. Ik trok weer een grimas naar het publiek. Ik liep naar mijn slachtoffer en dreigde hem te slaan. Hij week geschrokken achteruit. Ik grijnsde. Daarna sloeg ik mezelf weer op de hand, deze keer veel te hard. Mijn gezicht verstrakte. Het publiek durfde nu wel te lachen. Ik keerde me dreigend om naar de Kapo. Die probeerde zich groot te houden, met gering succes.
Ik ging verhaal halen.
Hij was een halve kop groter. Ik liet boos mijn bezeerde hand zien, ging tegenover hem staan en raakte met mijn neus zijn kin. Plotseling blies ik als een kat met een hoge rug. Hij schrok. Ik deed snel een stap achteruit, giechelde en nam mijn hoed voor hem af — om zijn woede voor te zijn en de situatie meester te blijven. Ik bedankte het publiek met een hoffelijke buiging en wees naar de Kapo om hem te laten delen in de waardering. Ik wilde voorkomen dat hij zijn ongenoegen zou botvieren op de Häftlinge.
Achteruit lopend, breed grijnzend en zwaaiend met mijn wandeltak nam ik afscheid. Heel even keek ik met een vreemd gezicht rond, alsof ik deze Umwelt nog steeds niet begreep, en trok me terug in de kamer van de Blockälteste. Als laatste gebaar liet ik mijn stok nog zien en sloot de deur.